Avond. Bartje en Lina zijn in bed. Ze slapen niet. De gordijnen hebben ze open gedaan en ze kijken naar de lucht, die donker en licht tegelijk is. Er is een maan, wit en groot en rond. En ze zien sterren, sommige knipperen of trillen. 'Wat een sterren!' zegt Lina, 'Zullen we ze tellen? Een, twee, drie, vier, vijf, zes. . .' Bij vierentwintig houdt ze al op. 'Jij telt niet mee,' zegt ze. 'Ik heb geen zin in tellen,' zegt Bartje. 'Er staan er veel te veel.' 'Misschien val je in slaap als je telt,' zegt Lina. 'Ik wil niet slapen,' zegt Bartje, 'ik wil naar de maan kijken en ik wil al die sterren zien.' 'Het zijn net oogjes,' zegt Lina, 'ze kijken naar ons, ze geven knipoogjes.' 'Als we een vallende ster zien,' zegt Bartje, 'dan mogen we een wens doen.' 'En wat wens je dan?' vraagt Lina. 'Dat ik nog een vallende ster zie,' zegt Bartje. Ze kijken nog een tijdje naar de sterren. Bartje vraagt zich af of sterren kunnen vallen: ze hangen toch niet aan een haakje? Hij heeft nog nooit een vallende ster gezien. 'Die maan geeft wel veel licht!' zegt Lina. 'Ik zie de schoorstenen en de dakpannen en de planken van de schutting. . .' Bartje kijkt naar al die dingen die Lina opnoemt en hij ziet ook nog een droogmolen en een vuilnisbak. Hij geeuwt. 'Dat is wel goed, al die sterren en die maan,' zegt Lina. 'Zo is er veel licht en dan botsen de schepen die op zee zijn niet en dan verdwalen de kamelen in de woestijn tenminste niet.' 'Ik ga in bed,' zegt Bartje, 'vertel jij maar over de zee of over de woestijn.' Bartje kruipt onder het dekbed. Dat is warmer. Bij de ruit is het maar koud. 'Dit dekbed is net de woestijn,' zegt Lina. Ze geeft klopjes op het dekbed. 'Er zijn heuvels van zacht zand en het is nacht. Door de woestijn loopt een lange stoet kamelen. Ze sloffen met hun grote voeten door het mulle zand. Ze dragen grote pakken. Dat zijn de zwarte tenten en de tapijten en de koffiepotjes en de leren zakken met water. In de woestijn is niet veel water te vinden, daarom moet je het meenemen. Bij de kamelen lopen mannen met speren. Ze hebben een zwarte mantel om en dragen een witte tulband op hun hoofd. Hun schaduwen zijn lang. Dat komt door de maan. Die schijnt fel. De mannen wijzen met hun speren naar de maan en ze kijken naar de sterren. Ze kijken vooral naar één ster die extra helder is en veel licht geeft. Het is maar goed dat die ster daar staat. Zo verdwalen ze niet.' Lina zwijgt even. De maan schijnt nu recht de kamer in. 'Wat een licht, hè?' zegt Lina. Bartje antwoordt niet. Hij slaapt. 'Een goed idee,' zegt Lina. Ze gaat ook onder het dekbed. De gordijnen laat ze open. Ze kijkt nog lang naar de sterren. En ze kiest er een die ze het mooist vindt. |